Stoofpeertjes zijn er nog, daar wil ik graag van profiteren en daarom ga ik aan de slag met een flinke hoeveelheid.
Omdat ze heel lang moeten stoven maak ik een flinke pan vol en vries daarvan een deel in.
Dat gaat goed, de peertjes blijven goed van smaak en behouden ook hun structuur.
Ik gebruik het liefst de bekendste stoofpeer, de Gieser Wildeman, deze kleurt rood als je ze zo’n twee tot drie uur stooft in een vloeistof die net tegen de kook aangehouden wordt.
Dat lange stoven is niet altijd nodig, na circa één uur zijn de peertjes al mooi zacht en lekker van smaak, maar stoofpeertjes worden nu eenmaal altijd rood geserveerd.
Om ze een handje te helpen bij het rood kleuren, kunt u een deel van het water vervangen door rode wijn of port.
Ikzelf vindt het geen probleem als ze niet echt rood worden, de smaak is er niet minder om. 
Stoofpeertjes worden altijd geschild en in zijn geheel of in stukken gesneden gestoofd.
Bij hele peertjes is het decoratief om de steeltjes eraan te laten.
Een kaneelstokje en reep citroenschil, maar ook een steranijs zorgen voor een extra kruidige smaak.
Bij wild, bij kip en eend en bij stoofgerechten zoals hachee zijn stoofpeertjes verrukkelijk, maar samen met een lepeltje lobbig geklopte slagroom vind ik ze ook erg lekker als nagerecht.