In de wintermaanden rest ons als fruit van eigen bodem alleen appels en peren.
En laten dat nu net de twee vruchten zijn waar u dit lekkere dessert mee kunt maken.
Als voorbereiding voor de gratin worden de plakjes appel en peer even in een mengsel van boter en suiker gebakken.
Daarvoor heeft u een grote koekenpan nodig en zelfs dan moet het waarschijnlijk nog in twee keer gebeuren.
Dit kunt u van tevoren doen, het hele gerecht kan eventueel van tevoren worden gemaakt, omdat het op kamertemperatuur geserveerd ook lekker is.
zoet
Appel-perengratin
- 3 appels
- 3 kleine, stevige peren
- het sap van 1 kleine citroen
- 40 gram roomboter
- 75 gram fijne tafelsuiker
- 2 eieren
- 1 eidooier
- 2 deciliter slagroom
- 2-3 eetlepels geschaafde amandelen
Verwijder van de appels en peren het klokhuis met een appelboor, schil de vruchten en snijd ze in plakjes.
Meng de vruchten direct met het citroensap, waardoor ze zo min mogelijk verkleuren.
Smelt de boter in een wijde koekenpan, voeg 40 gram suiker toe en roer deze goed door de boter.
Bak de plakjes appel en peer aan elke kant circa 2 minuten in het boter-suikermengsel, doe dit eventueel in gedeelten.
Leg de plakjes fruit na het bakken dakpansgewijs in een ingevette (ronde) ovenschaal, dit kan in meerdere lagen.
Klop de eieren los met de eidooier en de slagroom en voeg 35 gram suiker toe.
Schenk dit mengsel over de vruchten en strooi de amandelen erover.
Bak de gratin 15-25 minuten in een voorverwarmde oven op 210°C.
Serveer de gratin lauwwarm of op kamertemperatuur.
Voor 4 personen