Tuinbonen, ik haatte ze….. tot ik een jaar of twintig geleden in Frankrijk kennis maakte met ‘dubbelgedopte’ (of liever gedopte én gepelde) tuinbonen. De bonen waren niet alleen uit hun fluwelige schil gehaald, maar ook het grijsgroene vliesje was verwijderd. Sindsdien ben ik verkocht en behoort de tuinboon tot een van mijn lievelingsgroente.
Het is wel even een werkje om het grijsgroene vliesje te verwijderen, maar het resultaat is dan ook verbluffend lekker. Bovendien is het helgroene boontje dat overblijft supersnel te bereiden. Heel jonge en kleine boontjes kun je zelfs rauw eten.
Om het vliesje te verwijderen kun je het beste met je duimnagel een kleine opening maken aan de zijkant van de tuinboon, het binnenste boontje flipt er dan gemakkelijk uit. Het is even een handigheidje en oefening baart kunst. Dit klusje kun je doen als je thee drinkt of televisie kijkt.
De tweede keer ‘doppen’, pellen is een beter woord, gaat sneller als je de tuinboon na de eerste keer doppen even blancheert in ruim kokend water met zout. Na uitlekken en afkoelen kun je het grijsgroene velletje gemakkelijker verwijderen. Ik vind dit echter wel jammer van de smaak en de structuur, want het is het allerlekkerst als de boontjes helemaal rauw in een beetje olijfolie worden gegaard met wat zout, peper en een klein beetje fijngesneden bonenkruid.
Tuinbonen met mosterdzaadjes is daarop een lekkere variatie.